slideshow_09.jpg

Erfelijke afwijkingen bij de kat

Met dank aan Paul Overgaauw en Over Dieren

Dieren kunnen ziek worden van bijvoorbeeld infecties of door verwondingen. Dit zijn oorzaken die afkomstig zijn vanuit de omgeving van het dier. Daarnaast kunnen er erfelijke afwijkingen ontstaan door fouten bij de aanmaak van erfelijk materiaal (mutaties). Dat gaat in heel veel gevallen gepaard zonder merkbare gevolgen, maar in een aantal gevallen kan een bepaalde erfelijke aanleg de oorzaak van een verhoogde gevoeligheid voor bepaalde aandoeningen zijn, bijvoorbeeld tumoren. Ook kunnen er erfelijke afwijkingen aanwezig zijn die ervoor zorgen dat een dier wordt geboren met een afwijking of deze in het latere leven ontwikkelt.

Wat zijn erfelijke afwijkingen
Erfelijke afwijkingen bij mens en dier staan steeds meer in de belangstelling, denk maar aan de recente discussie over embryoselectie bij een ernstige vorm van borstkanker bij de mens. Meer aandacht is er niet alleen omdat het kan gaan om ernstige ziekten en aandoeningen, maar ook omdat onderzoek bij dieren van belang kan zijn voor de mens en er bovendien steeds betere diagnostiek beschikbaar komt. Met DNA-onderzoek is het mogelijk om dragers van afwijkingen eerder op te sporen. Daarmee kan besloten worden om met dergelijke dieren niet voort te planten (fokken). Dit noemt men selectie. Erfelijke afwijkingen worden relatief vaker gezien bij fok- of rasdieren. Fokkers maken namelijk de keus voor de te gebruiken ouderdieren voor de productie van nageslacht. Dit kan er toe leiden dat een klein aantal heel populaire dieren wordt gebruikt, waardoor een populatie raskatten na een aantal generaties sterk met elkaar verwant raakt. Dit wordt inteelt genoemd en de kans bestaat dan dat er vaker identieke genen bij een dier terechtkomen (homozygotie of raszuiverheid). Als deze genen verantwoordelijk zijn voor ongewenste eigenschappen, wordt er gesproken van erfelijke afwijkingen.

Bestrijding van erfelijke afwijkingen
Het is pas mogelijk om erfelijke afwijkingen bij dieren te voorkomen als deze makkelijk aangetoond kunnen worden. Of ze moeten zichtbaar zijn voor een eigenaar of ze kunnen worden aangetoond, bijvoorbeeld met een DNA-test. Pas dan kan besloten worden om een dier wel of niet te gebruiken voor de fokkerij. Om een beeld te geven: als vier procent van de katten klinische problemen heeft als gevolg van een bepaalde erfelijke aandoening, dan is daarnaast nog 32 procent van de katten drager. Dat zijn dieren die de aandoening wel hebben en kunnen overdragen, maar waarbij ze niet ziek zijn. Als een fokker zich alleen richt op de vier procent zichtbaar zieke dieren, zeker als de aandoening pas later in het leven ontstaat, dan is het effect natuurlijk erg klein als met de overige 32 procent, waaraan niets wordt gezien, gewoon wordt doorgefokt.

Enkele belangrijke erfelijke afwijkingen bij de kat
Polycystic Kidney Disease (zie hiervoor ook verder op onze website voor uitgebreide informatie)
Bij katten die lijden aan Polycystic Kidney Disease (PKD) zijn er in de nieren meerdere cystes (met vocht gevulde holtes) aanwezig,variërend in grootte van enkele millimeters tot centimeters. Het nierweefsel om de cystes heen verdwijnt langzaam en dit resulteert uiteindelijk in chronisch nierfalen. Dan is ongeveer 70-75 procent van het gezonde nierweefsel verdwenen en de symptomen bestaan onder andere uit veel drinken en plassen, vermageren, braken en verminderde eetlust. Bij onderzoek kunnen er door de dierenarts onregelmatige nieren worden gevoeld. De eerste klachten kunnen vanaf een leeftijd van vier jaar optreden, maar gemiddeld rond de 6-7 jaar. PKD komt het meest voor bij de Perzische kat en Exotics. Geschat wordt dat 30 tot 40 procent van deze dieren de aandoening heeft. Bij een aantal kattenrassen waarin met deze rassen is gefokt in het verleden komt ook PKD voor, zoals de Brits Korthaar, de Heilige Birmaan en de Ragdoll. Met behulp van echografie is de diagnose van PKD al in een vroeg stadium te stellen, vanaf een half jaar leeftijd. De afwijking PKD kon zich breed verspreiden binnen de genoemde kattenrassen, omdat de meeste dieren pas klachten kregen op oudere leeftijd. Dat maakte het erg lastig, zo niet onmogelijk, om de aandoening te bestrijden. Op dat moment pas kan geconstateerd worden dat één of beide ouders PKD moeten hebben. Gelukkig kunnen aangetaste dieren nu op jongere leeftijd worden opgespoord met behulp van echografie en kan begonnen worden met een bestrijding die grotere kans van slagen heeft. Er is zelfs een DNA-test voor PKD beschikbaar waarvoor alleen wat bloed van de kat nodig is. Met deze mogelijkheden kan al in een vroeg stadium, voordat met de dieren wordt gefokt, getest worden of een kat drager is.

Hypertrofische Cardiomyopathie (HCM); elders op deze website vindt u meer info over hartproblemen
Bij HCM zijn de spieren van het hart in dikte toegenomen (hypertrofie). Het hart kan zich na verloop van tijd niet meer goed vullen en er wordt minder bloed rondgepompt. Dit leidt tot vochtophoping in de longen en in de borstkas. Een dier kan hieraan plotseling overlijden, maar meestal worden er vooraf verschijnselen waargenomen, zoals benauwdheid, een snellere ademhaling, afnemende eetlust en soms verlamming van de achterhand. De dierenarts kan een hartruis waarnemen. De enige betrouwbare methode om HCM aan te tonen is het maken van een echo. Met medicijnen kan geprobeerd worden de aandoening te behandelen, waardoor de kat langer kan leven. Het gaat hier dus ook om een aandoening waarbij de dieren pas op oudere leeftijd verschijnselen gaan vertonen. Bij sommige rassen heeft tot 40 procent van de dieren HCM. Hoewel met echografie gezocht kan worden naar aangetaste dieren, gaat dat helaas moeilijker dan bij PKD, omdat het enkele jaren kan duren voordat de eerste symptomen bij echografie gezien worden. Een jaarlijkse herhaling van het echografisch onderzoek is derhalve aan te bevelen. Voor sommige rassen is er een DNA-test beschikbaar. Er blijken echter meerdere erfelijke vormen voor te komen en er wordt nog steeds veel onderzoek gedaan om de betrouwbaarheid van deze testen te optimaliseren en het voor meerdere rassen mogelijk te maken op deze wijze al in een vroeg stadium de diagnose te kunnen stellen. Het terugdringen van deze aandoening zal daarom minder snel resultaat geven dan PKD.


Enkele andere erfelijke afwijkingen bij de kat

Progressieve retina atrofie
Progressieve retina atrofie (PRA) wordt ook nachtblindheid genoemd omdat de functie van het netvlies (het gezichtsvermogen) vermindert, wat bij de kat aanvankelijk gaat opvallen in het donker. PRA komt bij veel kattenrassen voor. Er zijn verschillende vormen van PRA die op jonge of latere leeftijd blindheid veroorzaken. De bestrijding vindt om deze reden daarom per ras plaats. PRA wordt bij katten vastgesteld door een oogtest waarbij, na het verwijden van de pupil, met een instrument (opthalmoscoop) het beeld van het netvlies wordt bekeken door de dierenarts.

Te korte schedel
Sommige erfelijke afwijkingen bij de kat worden door fokkers als gewenst beschouwd en gebruikt om ermee te fokken. Op deze manier zijn er zelfs al enkele nieuwe kattenrassen ontstaan, maar ook bestaande rassen aanzienlijk van lichaamsbouw veranderd. Een voorbeeld is de erg korte kop waarmee Perzische katten jarenlang werden gefokt. Als dit in te grote mate optreedt spreekt men van brachycefale katten (kortschedeligheid). Dit gaat vaak samen met een brede schedel en belangrijke gevolgen daarvan zijn een snurkende ademhaling met vaak ademhalingsproblemen (benauwdheid) en een slechte gezondheid. Verder verloopt de geboorte vaak moeilijker ten gevolge van een te brede schedel in relatie tot de ruimte in het bekken.

Abnormale dwerggroei
Bij sommige rassen wordt dwerggroei als een ‘normaal’ raskenmerk beschouwd. Bekend is de Munchkin, die in 1982 ontstond toen een kat in Amerika een nestje kreeg waarvan de kittens allemaal sterk verkorte pootjes hadden. Verder lijkt de Munchkin in alle aspecten op een normale kat. Het ras is niet erkend in Nederland. De aandoening is erfelijk bepaald en vaak heeft het een verminderde levensvatbaarheid tot gevolg. Bovendien kunnen deze katten niet goed springen waardoor het normale gedrag niet tot uiting kan komen.

Staartloosheid
Staartloosheid en een variabele staartlengte zijn raskenmerken voor Manx katten. Deze katten, lang geleden ontstaan op het Engelse eiland Man, zijn normaal levensvatbaar, maar als volledig staartloze katten onderling gepaard worden is een deel van de kittens ernstig misvormd en niet levensvatbaar. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘rumpy’s’ (geen staart) en ‘stumpy’s’ (met een staartstompje). Ook kunnen de dieren met een korte incomplete of complete staart worden geboren.

Knieschijfproblemen
Bij sommige rassen kan de knieschijf (patella) makkelijk uit de groeve van het bovenbeen schuiven, meestal naar de binnenzijde toe. Dit wordt patella luxatie genoemd en behandeling is vaak nodig omdat het dier dan door het achterbeen zakt en deze niet goed kan belasten. Soms schiet de knieschijf weer spontaan terug en de kat gaat de betreffende poot zodanig naar buiten of binnen draaien om het eraf glijden te voorkomen. Omdat erfelijke aanleg hierbij een rol speelt wordt geprobeerd door fokmaatregelen het probleem te bestrijden. Zorgvuldig onderzoek door de dierenarts is ook van groot belang.


Vouwoor
Vouwoor (Scottish fold) is een raskenmerk met nevenkenmerken. Bij het onderling paren van vouwoorkatten worden er kittens geboren waarvan een deel ernstig misvormd is.


Doofheid bij witte katten
Doofheid komt vooral voor bij katten met een witte vacht en blauwe ogen. Bij oddeyed katten (katten met een blauw en een gepigmenteerd oog) is er een kans op doofheid (één- of tweezijdig). Een dove kat kan gevaar opleveren in het verkeer. Verder kan een doof dier verwondingen toebrengen, bijvoorbeeld aan kinderen, wanneer ze schrikken van een plotselinge benadering. Tenslotte kan er een verstoring optreden in de sociale ontwikkeling van het dier. Halfzijdig dove dieren vormen minder problemen, maar ook hiermee wordt geadviseerd niet te fokken. Door verschillende Nederlandse kattenverenigingen is niet toegestaan om witte katten met elkaar te kruisen. Op deze manier hoopt men de kans op doofheid bij witte kittens te verkleinen. Daarnaast moeten eigenaars van witte katten die willen showen en/of fokken een verklaring kunnen laten zien waaruit blijkt dat de betrokken witte kat niet doof is. Hiervoor wordt in specialistische klinieken een elektrodiagnostische test gebruikt, de zogenaamde BEAR- (brain stem auditory evoked response) en BAEP-test (brain stem auditory evoked potentials). Zie voor nadere informatie elders op deze website.

Haarloosheid
Haarloosheid is een raskenmerk bij sphynxkatten of Russische naaktkatten. Deze stammen af van een Canadese huiskat die in 1962 een nest had, waarin twee naakte kittens zaten. De vraag of sphynxkatten van hun haarloosheid hinder ondervinden als ze binnen gehouden worden is nog niet bevredigend beantwoord. Sphynx katten hebben extra verzorging nodig. Ze moeten regelmatig gewassen worden omdat de talg, die zich bij een kat met een normale vacht tussen de haren verdeelt, bij een Sphynx op de huid blijft liggen. Deze wordt plakkerig en het talg geeft af op meubilair en kleding. Ook moeten de oren regelmatig worden schoongemaakt, omdat een Sphynx veel last heeft van oorsmeer.


Rasvereniging
De verschillende rasverenigingen houden ogen en oren open als het gaat om erfelijke aandoeningen. Men toont alle inzet om situaties te verbeteren en problemen te voorkomen. Wie meer informatie wil over een bepaald ras kan altijd bij zo’n vereniging terecht.

Laatste nieuws