slideshow_04.jpg

Suikerziekte bij de hond

Suikerziekte bij de hond, ook wel diabetes mellitus genoemd, is het gevolg van een tekort aan insuline. Hierdoor blijft de suikerspiegel in het bloed hoog en kan het suiker niet vanuit het bloed de lichaamscellen in worden getransporteerd. De deur van de lichaamscel blijft als het ware gesloten voor insuline.  De lichaamscellen hebben daardoor een tekort aan suiker, ook wel glucose genoemd, en kunnen daardoor niet goed hun vitale functies uitoefenen.

In het lichaam zal er daarom aanspraak gedaan worden op de energiereserves, zoals de spieren als eiwitbron en de vetdepots als vetbron. Vandaar dat u als eigenaar kan opmerken dat uw hond gaat afvallen ondanks het feit dat hij goed eet of zelfs vaak meer eet dan normaal. Het wordt geschat dat tussen de 1 : 100 en 1 : 2000 honden te maken krijgt met suikerziekte. Het zijn meestal honden van middelbare tot senior leeftijd. In landen waar teven niet gesteriliseerd worden wordt het vaker gezien bij teven. Het is niet duidelijk bewezen rasgebonden. Toch zien we wel dat bepaalde rassen gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van suikerziekte, zoals de Samoyeed, de Keeshond, miniatuur Poedel, dwerg  Schnauzer en het Mopshondje.

Verschillende types diabetes mellitus
Er bestaan verschillende types diabetes mellitus, afgeleid van de humane indeling.

1. Type 1 diabetes mellitus. Bij type 1 diabetes mellitus zijn de cellen van de alvleesklier die de insuline produceren, ook wel de Langerhans cellen genoemd, kapot.  Er is daardoor sprake van een absoluut tekort aan insuline, omdat die niet meer voldoende gevormd kan worden. Deze vorm van suikerziekte wordt het meest gezien bij honden.
2. Type 2 diabetes mellitus. Bij type 2 diabetes mellitus is er sprake van het minder goed kunnen aanhechten van de insuline aan de buitenkant van de cellen die in het lichaam voorkomen. Hierdoor kan insuline er niet voor zorgen dat glucose de cellen in wordt getransporteerd. Het niet goed kunnen hechten van de insuline zien we vaker bij honden maar ook bij mensen die zich niet veel bewegen, dus inactief zijn, of bij honden of mensen die te dik/vet zijn. De cellen van de alvleesklier gaan hun best doen om meer insuline aan te maken, omdat die een signaal krijgen dat de bloed suikerspiegel hoog blijft. Uiteindelijk houden de cellen van de alvleesklier deze overproductie van insuline niet meer vol en zullen ze kapot gaan: ze raken uitgeput. Dan er weer een absoluut te kort ontstaan van de insuline. Dit type suikerziekte wordt niet vaak gezien bij honden, maar meer bij katten en mensen.
3. Overige types diabetes mellitus: Bij deze types is de diabetes mellitus vaak secundair aan andere ziekten. Hiermee bedoelen we dat de suikerziekte door een andere ziekte/aandoening of het krijgen van bepaalde medicatie ontstaat.  Hierbij  kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het regelmatig toedienen van corticosteroïden (bijvoorbeeld prednison) of progestagenen (de pil c.q. prikpil) of de ziekte van Cushing (zie onder beschreven ziekte voor meer uitleg).
4. Zwangerschaps diabetes mellitus. Bij de teef wordt er na elke ovulatie gedurende 9-10 weken progesteron afgegeven door de eierstokken, of de hond nu drachtig is of niet.  De afgifte van progesteron zorgt voor de afgifte van groeihormoon uit de melkklieren en het groeihormoon zorgt er op haar beurt weer voor dat de insuline niet goed kan hechten aan de cellen van het lichaam.  Na een aantal loopsheden kan dit leiden tot suikerziekte, die in de periode 9- 10 weken na de loopsheid kan ontstaan, soms zal de suikerziekte weer verdwijnen, maar dan direct na de daaropvolgende eisprong weer terugkeren.


Symptomen van diabetes mellitus bij de hond

Klassieke symptomen van een hond met diabetes mellitus:
1. Uw hond zal waarschijnlijk veel drinken (meer dorst hebben) en veel  plassen.
2. Uw hond zal waarschijnlijk vermageren ondanks dat hij/zij wel graag eet of zelfs meer eet dan normaal, uiteindelijk zal hij/zij minder gaan eten.
3. Onzindelijkheid kan zich voordoen.
4. Bij het urineonderzoek kan opvallen dat er suiker inzit, dit mag er normaal gesproken niet inzitten; stress kan een reden zijn voor een tijdelijke uitscheiding van glucose in de urine (tijdelijke verhoging van suiker in het bloed tot boven de nierdrempel). Hiermee bedoelen we dat wanneer er suiker in de urine zit, de diagnose suikerziekte eerst door middel van bloedonderzoek bevestigd dient te worden. Anders kan het geven van insuline aan een dier die geen suikerziekte blijkt te hebben verstrekkende gevolgen hebben en zelfs leiden tot coma. Een nierprobleem kan ook aanleiding zijn voor het vinden van suiker in de urine.
5. Braken.
6. Depressief zijn.
7. Staar ontwikkelen in de ogen, er komt dan een waasje in de ooglens van de ogen.

Diagnose van diabetes mellitus bij de hond
Voor de diagnose diabetes mellitus dient er bloed te worden afgenomen, de glucose waarde dient tussen de 3.9 – 5.0 mM te zitten bij de nuchtere hond. Een waarde van meer dan 7.5 mM is zeer suggestief voor suikerziekte. Daarnaast kan de fructosamine bepaald worden in het bloed, deze waarde zal pas gaan stijgen wanneer er langdurig sprake is een hoge suikerspiegel in het bloed, zoals dat zich bij suikerziekte voor zal doen. Op deze wijze kun je een tijdelijke verhoging van de glucose bloedspiegel ten gevolge van stress uitsluiten.


Behandeling/therapie van diabetes mellitus bij de hond

1. Operatie bij diabetes mellitus ten gevolge van progesteron invloed vanuit de eierstokken na een loopsheid
Wanneer de diabetes mellitus is ontstaan door hormonale invloeden vanuit de eierstokken bij een intacte teef, hiermee bedoelen we dus een teef die haar eierstokken en baarmoeder nog heeft. Dan kan er het beste voor gekozen worden om de teef zo snel mogelijk te laten steriliseren als de toestand van de teef dat op dat moment toelaat. Indien ze erg ziek is, dient ze eerst met infusen en insuline gestabiliseerd te worden. Indien de teef nog niet ernstig ziek is van de suikerziekte kan er voor gekozen worden om haar zo snel mogelijk te steriliseren, om daarmee zo veel mogelijk restfunctie van de alvleesklier te redden (de eerder besproken ‘uitputting’ tegengaan). Op de dag van de operatie wordt maximaal 1/3 van de insulinedosering gegeven en wordt er geen eten aangeboden, omdat de hond nuchter moet zijn voor de operatie. Na de operatie dient de suikerspiegel dagelijks gecontroleerd te worden totdat deze weer normaal is. De insulinebehoefte kan door het verwijderen van de hormonen bron snel dalen. Er zal echter ook rekening mee gehouden moeten worden dat er niet altijd een volledig herstel van de cellen van de alvleesklier op zal treden.

2. Medicamenteuze behandeling van diabetes mellitus
Onderzoek wijst uit dat de behandeling met insuline bij de meeste honden met suikerziekte de meest succesvolle therapie is.  Voor de behandeling van honden met suikerziekte is in Nederland het preparaat Caninsulin® geregistreerd. Caninsulin® is een waterige suspensie die per ml 40 IE (internationale eenheden) insuline bevat, geschikt om subcutaan, dat wil zeggen ‘onder de huid’, toe te dienen.  Bij honden is de werking van caninsuline meestal lang genoeg om het maar 1 keer per dag te hoeven geven. Het bewaren van caninsuline dient in de koelkast te gebeuren, de flacon mag niet bevriezen. Na aanprikken is de flacon (flesje) 20 dagen houdbaar. Altijd zwenken voordat het wordt opgezogen, de werkzame stof zakt namelijk uit naar beneden; niet schudden.
Als dosering wordt aangehouden 1 IE per kilogram hond met een gewichtsafhankelijk dosissupplement. Het schema en de precieze dosering zal uiteraard met u besproken worden. Tijdens de instelling met caninsuline dient er regelmatig bloedonderzoek gedaan te worden. Aanvankelijk is dit 2-3 keer per week.  Indien de bloedglucose spiegel bij 2 opeenvolgende controles tussen de 6-8 mM zit, kunnen de controles langzaam afgebouwd worden. Dan hoeft u uiteindelijk maar één keer in de 6-8 weken te komen voor bloedonderzoek. Het bloedonderzoek dient 7 uur na het toedienen van de insuline te gebeuren. Vandaar dat de insuline meestal ’s morgens wordt gegeven. Stel u geeft de insuline dosis om 08.00 uur, dan komt u om 15.00 uur ’s middags voor bloedonderzoek.  Aan de hand van het bloedonderzoek en de hoogte van de suikerspiegel in het bloed wordt eventueel de dosis te geven insuline aangepast. Het  voert te veer om het gehele traject hier uit te diepen, maar een ander zal uiteraard uitgebreid met u besproken worden.

Tevens is het van belang om de samenstelling en de hoeveelheid voeding dagelijks hetzelfde te houden. De dieetbehandeling heeft als doel een stabiel en ideaal lichaamsgewicht te handhaven, grote schommelingen in het bloedsuikergehalte te beperken en de insuline afgifte door de alvleesklier te stimuleren. De dagelijkse benodigde hoeveelheid voer dient over 2 gelijke  porties verdeeld te worden. De eerste portie dient vlak voor de insuline gegeven te worden, de andere 7.5 uur later. Het is van belang dat de hond eerst gegeten heeft, alvorens u de insuline geeft. Wanneer een dier geen eetlust heeft en u geeft toch insuline, dan kan het zijn dat de insuline inwerkt op een goed gereguleerde glucosespiegel, die op dat moment onder het laagste niveau gaat dalen. Uw dier kan dan een zogeheten ‘hypo’ ontwikkelen. Een bekende term voor de meeste mensen: het gevoel dat je kunt hebben vlak voor het eten: je gaat trillen, soms wat zweten, je voelt je slap en ongemakkelijk, zelfs wat misselijk soms: dat betekent dat je een te lage bloedsuikerspiegel hebt. Een simpele hypo bij ons vlak voor het eten is makkelijk op te heffen. Een insuline geïnduceerde hypo kan levensgevaarlijk zijn. Dieren die last hebben van overgewicht dienen eerst geleidelijk af te vallen, hierdoor zal het lichaam beter instaat zijn om adequaat op insuline te reageren.

Er bestaan allerlei specifieke diëten die u uw hond met suikerziekte kunt geven. Het gaat er hierbij met name om, dat de voeding een hoog percentage aan vezels bevat. Het is namelijk bewezen dat vezelrijke voeding schommelingen in de bloedsuikerspiegel verminderen en de toegediende insuline beter benut wordt. Verder is het essentieel dat het voer een beperkt energiegehalte heeft, waarmee verlies aan vet wordt gestimuleerd. Dit leidt wederom tot een betere reactie op insuline van het lichaam en draagt eraan bij dat koolhydraten (suikers uit de voeding) uit de voeding geleidelijk opgenomen worden door het lichaam. Dit voorkomt sterke schommelingen in de suikerspiegel. Tenslotte dient het voer een hoog eiwitgehalte te hebben. Hierdoor blijft de spiermassa van het dier behouden en kan er toch gewichtsverlies worden bereikt.

Voorbeelden van geschikte voeding zijn de Royal Canin Diabetic/ Weight Control of de Hill’s WD.
Een alternatief is het geven van het voer wat de hond al kreeg in een hoeveelheid van 5 gram per kilogram lichaamsgewicht, hier wordt dan 5 gram vlees per kilogram lichaamsgewicht per maaltijd aan toegevoegd om een gedeelte van de koolhydraten als energiebron weg te nemen. Deze hoeveelheden dienen zodanig aangepast te worden dat er een stabiel en wenselijk lichaamsgewicht ontstaat. Kijk dus vooral hoe de hond het er op doet.  Bij een dergelijke probleem blijft een commercieel volledig uitgebalanceerd dieet de beste optie.

Lichaamsbeweging heeft invloed op de glucose- en dus ook op de insulinebehoefte van het lichaam. Regelmatige en gecontroleerde activiteiten worden aangeraden. Teveel inspanning ineens moet worden vermeden om ernstige schommelingen in de vraag naar glucose te voorkomen. Regelmaat is de sleutel tot succes!!

Een ‘hypo’: wat betekent dat?
Bij een te hoge dosering insuline kunnen er verschijnselen van een hypoglycemie worden waargenomen. Dit betekent dat de suikerspiegel te laag wordt in het bloed, meestal lager  dan 3 mM (hypo = te laag, glycemie = glucose in het bloed).  Meestal treedt dit 4-7 u na de insuline gift op.
Een hypo kan komen door te weinig voedselopname, braken, teveel inspanning of een veranderde insuline behoefte.
De verschijnselen kunnen variëren, meestal zult u merken dat uw hond rusteloos wordt, honger krijgt, gaat rillen, gedesoriënteerd raakt, sloom wordt en mogelijk zelfs in een coma dreigt te raken. In een ver gevorderd stadium van een hypo kan uw hond weigeren te eten, in plaats van juist honger gedrag te vertonen.

Wat u het beste kunt doen bij verschijnselen van een hypo?
1. De hond direct een maaltijd aanbieden, qua portie overeenkomend met wat hij/zij normaal krijgt.
2. Elke 1-2 uur een kleine maaltijd geven, totdat de insuline is uitgewerkt. Dit merkt u aan het feit dat de hond zich weer normaal zal gaan gedragen.
3. Als de symptomen verergeren of de hond niet wil eten, dan dient u uw hond zelf suiker te geven, in de vorm van druivensuiker: 1 gram druivensuiker per kilogram lichaamsgewicht hond. Zorg dus dat u altijd druivensuiker klaar hebt liggen. Een hond van 20 kg mag dus 20 gram druivensuiker krijgen. Het beste kunt u dit mengen met wat water en dan met een spuitje in zijn wangzak of onder de tong spuiten.
4. Indien dit ook geen verbetering geeft, dan dient u onmiddellijk contact met ons op te nemen, zodat wij een glucose-infuus aan kunnen leggen, waarbij wij de suiker rechtstreeks in de bloedbaan brengen.
5. Nadat u de druivensuiker hebt gegeven, dient u elke 1-2 uur een kleine maaltijd aan te bieden, totdat de insuline is uitgewerkt.
6. De dosering insuline dient de volgende dag met 50% verlaagd te worden, waarna dan weer regelmatige bloedcontroles noodzakelijk zijn om de juiste dosering te vinden van de insuline.

Wat is de prognose van een hond met suikerziekte?
De prognose van een hond met suikerziekte is sterk afhankelijk van de motivatie en inzet van u als eigenaar. Het advies en uitleg van het begeleidende diergeneeskundige team speelt daarbij een essentiële rol. Als de dierenarts namelijk iets goed uitlegt, zal dit een eigenaar motiveren om door te gaan. De regulatie van een hond met suikerziekte vraagt aandacht en kennis. Een suikerpatiënt is echter na goede instelling een zeer dankbare patiënt. Veel suikerziekte patiënten kunnen in een stabiele toestand worden gebracht en de levensduur zal vergelijkbaar zijn met die van een normale niet zieke hond.

 

De Boog 74
1741 MT Schagen
T:  0224 - 218 997
E: info@dkzuiderkaag.nl