slideshow_07.jpg

ECTOPARASIETEN BIJ DE CAVIA

 

 

Cavia’s zijn gevoelig voor verschillende ectoparasieten, waaronder mijten (Trixacarus caviae, Chirodiscoides caviae), luizen (Gliricola porcelli, Gyropus ovalis) en vlooien (Ctenocephalides felis). Van deze ectoparasieten is de schurftmijt (Trixacarus) het meest van belang. De geïnfecteerde dieren hebben jeuk, met schilfering van de huid en eventueel secundaire huidontstekingen. De jeuk kan zo heftig zijn dan het toevallen veroorzaakt. Meestal zijn de huidafwijkingen te zien op de rug en de dijen, maar kunnen zich uitbreiden over de schouders en de nek. Er kunnen wat gelige korsten te zien zijn over de aangetaste huid. De vachtmijt (Chirodiscoides) is veel minder ernstig en kan afwijkingen op de heupen en het perineum geven, maar meestal zijn er geen symptomen. De luizen zitten vast op de haren, zowel de volwassen luizen als de eieren. Kaalheid en korsten en een ruwe vacht zijn dan te zien. Al deze parasieten worden door direct contact overgebracht op andere cavia’s. Met behulp van huidafkrabsels kunnen de mijten vastgesteld worden. De luizen kun je zien door haren onder de microscoop te bekijken. Trixacarus is effectief te behandelen met ivermectine (0,5 – 0,8 mg/kg subcutaan, na 7 dagen herhalen). Luizen en Chirodiscoides kunnen ook met ivermectine behandeld worden (0,3 mg/kg subcutaan of oraal, na 10 dagen herhalen). Vlooien kunnen behandeld worden met stronghold pipetten (dat is niet geregistreerd voor cavia’s en de dosering moet per dier berekend worden). Om een nieuwe infectie te voorkomen zal ook de omgeving waarin het dier leeft herhaaldelijk grondig gereinigd moeten worden.

Bij cavia’s kan overigens ook huidschimmel voorkomen. Het meest komt dit voor bij jonge dieren. Meestal is het Trichophyton mentagrophytes, maar Microsporum canis kan ook voorkomen. De dieren kunnen drager zijn, dan dragen ze de schimmel wel bij zich maar hebben geen symptomen. Vooral bij slechte huisvesting kunnen er wel symptomen ontstaan. De dieren hebben dan vaak jeuk, hebben ronde plekjes met kaalheid en korsten. De meeste plekjes ontstaan op het gezicht, voorhoofd en oren, en later verspreidt het over de rug en de poten. De diagnose kan gesteld worden door een schimmelkweek in te zetten. Meestal wordt het behandeld met griseofulvine, maar het is teratogeen (schadelijk voor de ongeboren vrucht), dus het mag niet aan drachtige dieren worden gegeven. Ringworm zoals deze ziekte ook wel wordt genoemd kan overgedragen worden op andere dieren (honden, katten) en mensen. Bij de mens is het gelukkig wel makkelijk te behandelen, bij honden en katten is het wat lastiger.

De Boog 74
1741 MT Schagen
T:  0224 - 218 997
E: info@dkzuiderkaag.nl